30 september 2026

Als je niet zo'n sterke moeder bent

Er was een christelijke moeder. Ze had twee kinderen, van wie ze zielsveel hield. Maar het ging niet goed met haar. Ze was vaak verdrietig, zat slecht in haar vel en de dagelijkse zorg voor haar gezin kostte haar veel energie. 

De dokter had gezegd dat ze het rustiger aan moest doen.

Een groot gezin, zoals sommige andere gezinnen in haar kerk? Ze moest er niet aan denken. En daar voelde ze zich schuldig over. Want kinderen zijn toch een zegen van God? Mocht ze eigenlijk wel zeggen dat ze er niet meer aankon? En dat ze daarom geen kinderen meer wilde?

Ze besloot erover te praten met een ouderling. Het gesprek verliep anders dan ze had gehoopt. Ze kreeg te horen dat een christelijk echtpaar in principe altijd open moet staan voor het ontvangen van kinderen. Dat het moederschap zwaar is geworden door de zondeval. En dat ze niet te ver vooruit moest kijken. Ze hoefde immers nog niet na te denken over een groot gezin? Eerst maar eens een vierde kind.

Bovendien moest ze leren haar gezin aan God toe te vertrouwen.

Toen ze thuiskwam, voelde ze zich zo verward. Had ze dus verkeerde gedachten over kinderen krijgen? Vertrouwde ze onvoldoende op God? Ze had een gesprekje gepland omdat ze het zo moeilijk had. Nu had ze er een zorg bij.

Later besloot ze samen met haar man de Bijbel open te slaan en alle teksten die de ouderling genoemd had in hun verband te lezen. Wat stond er nu eigenlijk echt?

Een erfdeel. Wat betekent dat eigenlijk?

Ze begonnen bij Psalm 127. Kinderen zijn een erfdeel van de HEERE, had de ouderling gezegd. Dat stond er inderdaad.

Peter zocht het Hebreeuwse woord op. Nachalah. Een erfdeel, een toegewezen bezit. Hetzelfde woord dat zo vaak wordt gebruikt voor het land dat Israël van God ontvangt.

Maar wat bedoelde de dichter ermee?

Ze lazen de hele psalm. Die begint helemaal niet met kinderen! Eerst gaat het over een huis dat tevergeefs gebouwd wordt als de HEERE het niet bouwt. Over een wachter die voor niets wakker blijft als God de stad niet bewaart. Zelfs over slapen gaat het. God geeft het Zijn beminde in de slaap.

En dan pas komen de kinderen.

De dichter noemt hen een erfdeel, een beloning. Hij vergelijkt zonen met pijlen in de hand van een held. Een gevulde pijlkoker was in het Israël van toen iets om blij mee te zijn!

Maar Anna struikelde over iets. Of eigenlijk over iets wat er níét stond. Waar stond dat zij verplicht was opnieuw zwanger te worden? Waar stond dat twee kinderen niet genoeg konden zijn voor een vrouw als zij?

Nergens.

Psalm 127 bezingt de zegen van kinderen. Maar van een verplichting om het gezin steeds verder uit te breiden, lazen ze niets.

Wees vruchtbaar! Maar hoelang dan?

En Genesis 1:28? Daar konden ze natuurlijk niet omheen.

Ze lazen het hele gedeelte. God zegent de eerste mensen en draagt hun op vruchtbaar te zijn, talrijk te worden en de aarde te vervullen.

Een echte opdracht. Maar aan wie precies? En hoe ver strekt die opdracht zich uit?

Betekent het dat ieder echtpaar, zolang het biologisch mogelijk is, open moet blijven staan voor nóg een kind? Dat vruchtbaar zijn betekent: meer, meer en nog eens meer?

En die zondeval dan?

Hup, ook Genesis 3 kwam op tafel.

God zei tegen Eva dat haar moeite tijdens de zwangerschap vermeerderd zou worden en dat zij met pijn kinderen zou baren.

Maar dat is toch geen opdracht om het jezelf zo zwaar mogelijk te maken? En wanneer je lichaam en geest aangeven: ho, stop! Moet je dan maar doorgaan?

Waarom zou een moeder geen rekening mogen houden met haar lichamelijke of psychische gezondheid?

En waren die twee kindjes die er al waren niet óók aan hun zorg toevertrouwd? Ze praatten er een flinke poos over 

De Herder en de zogenden

Ze besloten biddend hun eigen weg te gaan. Ze zouden zich niet laten leiden door de gezinsgrootte van anderen, maar samen verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen gezin.

Toch bleef er iets knagen bij Anna. Zo'n naar gevoel van binnen... dat ze tekort­schoot als ze niet kon wat andere moeders wel konden. Waarom hadden die zoveel meer energie? Waarom leek het bij hen allemaal gemakkelijker te gaan?

De volgende dag las ze een stukje uit Jesaja 40. Het was gewoon aan de beurt.

‘Als een herder zal Hij Zijn kudde weiden: Hij zal de lammetjes in Zijn armen bijeenbrengen en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden.’ (Jesaja 40:11)

De zogenden. 

Ze zocht op wat dat betekende. Schapen die hun jongen voeden. Een herder kon met zijn kudde flink doorlopen, maar niet ieder dier hield dat tempo vol. Een schaap met jonge lammeren had extra zorg nodig en zo'n dier moest je niet opjagen.

En juist dát beeld gebruikt Jesaja om de HEERE te beschrijven. Het hoofdstuk gaat over de troost voor Israël, ontdekte ze. God vergeet Zijn volk niet. Dezelfde God Die de wateren met Zijn hand afmeet en de sterren bij hun naam roept, zorgt als een herder voor Zijn schapen.

Zo'n machtige HEER, en tegelijk zo lief en zorgzaam voor het kwetsbare. 

Anna las het vers opnieuw. De zogenden zal Hij zachtjes leiden.

„Weet je wat ik zo mooi vind?” zei ze later die dag tegen Peter. „De herder verwacht helemaal niet dat alle schapen even hard kunnen lopen.”


Anna dacht aan de andere moeders in de kerk. Aan de grote gezinnen. Aan vrouwen die zoveel leken aan te kunnen. „Ik ben gewoon niet zo sterk als zij,” zei ze.

„Nee,” antwoordde Peter. „Maar je hoeft ook niet te zijn zoals zij.”

Anna dacht nog eens naar Jesaja 40. De zogenden zal Hij zachtjes leiden.

„Zachtjes,” zei ze en ze glimlachte naar Peter.

„Dat had ik eigenlijk van die ouderling willen horen. Maar nu zei God het Zelf tegen me.”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten