Soms hoor je woorden in de kerkbank die je nooit meer loslaten.
“Een gestolen Jezus” is er zo één.
Maar wat wordt daar eigenlijk mee bedoeld?
Voordat ik tot geloof kwam, loog ik en stal ik. Het begon klein, met een leugentje en een dubbeltje. Het werd al snel groter. Ik wende eraan.
Maar toen de Heere in mijn leven kwam, werd alles anders. Zonde werd zonde. Ik bracht dingen terug die ik geleend had: geld, boeken, andere spullen. Ik kreeg verdriet over mijn zonden en ging met mijn schuld tot de Heere Jezus, om vergeving te ontvangen.
En juist in die tijd hoorde ik in de kerk dat woord weer: stelen. Niet alleen als de wet gelezen werd, maar ook in de preek. Er werd gezegd dat je Jezus kunt “stelen”. Dat je er met Hem vandoor kunt gaan. Dat er mensen waren die dachten dat hun zonden vergeven waren, terwijl dat niet zo is. Ze kenden immers de weg van Gods oude volk niet.
Ik voelde dat het ernstig was. Maar ik begreep het niet goed. Het ging vooral over de weg waarin iemand tot geloof gekomen was. Die mensen misten iets. De diepten van Psalm 130. Dat een mens zo wegzinkt in zijn ellende dat hij het uitroept met de psalmdichter:
Kort gezegd: de dominee benoemde een groep mensen die zomaar tot Jezus vluchtte op de roep van het Evangelie, zonder dat ze eerst diep, zeer diep door hun ellende waren gegaan. Zij gingen er met een gestolen Jezus vandoor.
Ik ging steeds meer twijfelen. Want ik zag toen niet hoe radicaal de Heere het bij mij had omgekeerd: van donker naar licht. Ik herkende het niet als Gods werk. Wat ik ervaren had... werd in de kerk niet benoemd. Je weet wel zoals bij Paulus: diep, maar een paar dagen verslagenheid, en daarna volledig Jezus alleen.
Ik paste niet in het schema. Ik werd afgetrokken van het zien op Jezus naar het onderzoeken van mijn weg tot Jezus. Hoe diep moet een mens er door heen gaan voordat het “mag”... je weet: komen tot de Heere Jezus. Mijn dagboeken vulde ik met gebeden die vol staan met afkeuring van mijn weg, niet gnoeg van dit, niet genoeg van dat. Ik was niet verloren gegaan onder het recht, zoals de dominee zei.
Na veertig jaar weet ik dat de dominee het goed bedoelde. Hij wilde de zuiverheid van de kerk bewaken. Hij had niemand over voor zelfbedrog. Maar de manier waarop hij dat deed, wierp een struikelblok op de weg van de komenden.
Het Evangelie spreekt van geven. Christus wordt verkondigd en aangeboden. Niet wie iets meebrengt (genoeg ellendekennis) maar juist wie niets heeft, is welkom bij Hem.
Ik denk nog wel eens terug aan dat dubbeltje.Toen wist ik als 7 jarige:
Maar bij het vluchten tot Jezus ligt het zo anders.
Wat niet van mij was, werd mij gegeven.
Maar wat mij gegeven werd, stal ik niet.
Ik ontving ik.
Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik.
Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer.
---
PSZo wordt er bijvoorbeeld gewezen op de geschiedenis uit de tijd van Salomo, waar twee vrouwen één levend kind opeisen, terwijl het andere kind gestorven is. Eén van hen had het levende kind genomen. Volgens die uitleg gaat het erom dat je, net als de echte moeder, het recht op het levende Kind moet verliezen. Dat je Hem, Jezus, de Borg en Zaligmaker, uit de hand van de Rechter, God de Vader, zielsbevindelijk moet ontvangen. Daar ligt dus deze gedachte achter: wie dat niet kent, gaat er met een “gestolen Jezus” vandoor.
Twee van de drie afbeeldingen in deze blog zijn AI-beelden. De kanselfoto is een illustratie en geen afbeelding van een werkelijke predikant.
👉 Lees ook Reformatorische Roots: Preekmemories



Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Loquere cum gratia.
(Spreek met genade)